Leraar
De leraar is geen opleider. Zijn doel is het niet in eerste instantie om zijn pupillen tot een bepaald vak of beroep op te leiden (een specifieke manier van functioneren in de maatschappij dus), hij wil vooral hun algemene vorming en ontwikkeling sturen en stimuleren. En dat betekent dat de leraar zijn scholieren juist wil aanzetten tot nadenken over hun positie in de maatschappij en de rol die ze daarin spelen – als mensen, en niet alleen als professionals.
“We probably cannot produce people who are firm against every manipulation.” Deze zin staat in het onlangs verschenen boek Not for Profit. Why Democracy Needs the Humanities (2010) van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum. In een tijd van wereldwijde economische crisis legt Nussbaum daarin uit dat een democratische maatschappij niet zonder de “humanities” – de geesteswetenschappen – kan.
Op het eerste gezicht lijken studies als literatuuwetenschap en letterkunde wellicht nutteloos, omdat ze niet direct (of misschien helemaal niet) tot economisch winst leiden. Maar zonder de humaniserende effecten van deze disciplines, zonder zelfstandig denken, fantasie en empathie kan een democratische maatschappij uiteindelijk niet overleven, stelt Nussbaum. Ook een universiteit en onderwijsbeleid die naar deze overtuiging handelen zullen geen studenten kunnen produceren die tegen elke vorm van verleiding en manipulatie bestand zijn: “We probably cannot produce people who are firm against every manipulation.” Maar ze moeten het volgens Nussbaum in ieder geval proberen.
In zijn recensie van Nussbaum’s studie in het NRC van 27 augustus 2010 merkt Arnold Heumakers op, dat Nussbaum’s zin een opvallende tegenstrijdigheid bevat: Als je het over het ‘produceren’ van mensen hebt neem je uiteindelijk zelf toch ook een instrumentele en manipulatieve houding in? Moet het onderwijs dan mensen vormen “zoals een fabriek dingen maakt” (Heumakers)?
Heumakers onthult in Nussbaum’s boek een performatieve tegenstelling die kenmerkend is voor een humanistische opvatting van de geesteswetenschappen en, vooral van literatuur in het algemeen. De Engelse letterkundige en dichter Matthew Arnold (1822-1888) bijvoorbeeld wilde literatuur en cultuur al in de 19e eeuw als middel voor de humanisering van de maatschappij inzetten. Arnold dacht dat het lezen en bestuderen van ‘goede’ literatuur, met klassieke teksten uit de antieke oudheid als ultieme maatstaf, tot een meer omvattende en niet alleen technisch-economische ontwikkeling van mens en maatschappij zou leiden. Zijn favoriete metafoor voor deze eenzijdige en negatieve ontwikkeling van de geindustrialiseerde samenleving was het begrip “machinerie” – opvallend genoeg een term die juist heel erg aan Nussbaum’s formulering (“produceren”) en Heumaker’s toelichting (“fabriek”) doet denken. Kan de literatuurwetenschapper als leraar – als iemand die er een humanistische opvatting van literatuur op nahoudt – überhaupt aan deze paradox ontkomen: de literatuur, die geen doel zou moeten hebben, voor iets gebruiken?
Lemma’s:
- Enlightenment
- Essay
- Humanism
- Didactic literature
- Persona, Tone, and Voice
Literaire teksten:
- Muriel Spark. The Prime of Miss Jean Brodie (frag.)
- CASE STUDY: David Foster Wallace. “Consider the Lobster”